| • | De fokwaarden worden weergegeven op een relatieve schaal met een gemiddelde van 100 en een spreiding van 4. |
| • | Het gemiddelde wordt op 100 gesteld. |
| • | Een spreiding van 4 wil zeggen dat tweederde van alle stieren een fokwaarden heeft tussen de 96 en de 104. Tussen 92 en 108 bevindt zich 95% van alle stieren en tussen 88 en 112 is dat 99% van alle stieren. |
| • | Het gemiddelde en de spreiding wordt bepaald door alle stieren die geboren zijn in 1990. |
| • | Een fokwaarde exterieur van een stier van een vleesras wordt bepaald door: |
 | a) de fokwaarde van de ouder |
 | b) de keuringen van de dochters en kleindochters |
 | c) de fokwaarden van de zonen |
| • | Een fokwaarde van een stier kan veranderen wanneer er meer dochters en kleindochters worden gekeurd en/of wanneer de fokwaarde van de vader of zonen wijzigt. |